PDBeH tekst zeegroen 924x53

tevreden adoptiekind300x215

Een vooral dankbaar kind

Als een onbekende erachter komt dat ik een adoptiekind ben, dan komt vroeg of laat, eerder vroeg dan laat, de vraag met de volgende strekking naar buiten: “Ken jij je biologische ouders?”
Deze vraag wordt na mijn beknopte antwoord gevolgd door een excuses: “Sorry dat ik ernaar vroeg...”

Ik heb me weleens afgevraagd waarom het juist op deze manier gaat.
Ik denk zelf dat het te maken heeft met de gevoeligheid die dit onderwerp met zich meebrengt. Het bewijst zelfs dat vrijwel iedereen die eens met een geadopteerde heeft gesproken, beseft dat deze gevoeligheid er is. 
Men weet er alleen niet mee om te gaan.
In dit schrijfsel heet ik Michael. De onbekende geadopteerde die je net tegen het lijft bent gekomen.

De wat eigenzinnige jongen die naast je is gaan zitten aan een eettafel op het zomerfestival waar je elk jaar naar uitkijkt. Je ziet dat een groep hechte vrienden lallend en lolmakend zich op de picknicktafels laten neervallen. Het valt je op dat de afzijdige jongen wat voorzichtiger gaat zitten. Naast jou.
Je raakt met hem in gesprek. Wij raken met elkaar in gesprek. Ik stel me voor. Jij stelt je voor.
Je bestudeert het hele tafereel, en je merkt dat Michael heel erg goed Nederlands spreekt.
Zeker voor iemand met een getinte kleur. Je kunt deze jongen niet goed peilen.
Je kunt niet uit zijn gedragingen en uiterlijkheden zijn afkomst herleiden. Hij past niet helemaal tussen zijn donkere vrienden bij wie hij zich wel heel erg thuis lijkt te voelen. Je stelt een vraag.
“Jullie zijn Antillianen, hoor ik zo?”
“Ja, mijn vrienden zijn Antilliaans. Ik ben zelf een geadopteerde Braziliaan.”
Uit verbazing stel je de vraag: “Oh, ken jij je familie?”
Uit beleefdheid glimlach ik: “Nee, ik ken mijn biologische familie niet, maar ik ben wel van plan om op zoek te gaan.”
Uit ongemak biedt jij je excuses aan.
Uit ongemak verwerp ik je excuses vriendelijk en bedank ik je in gedachten voor het niet vragen naar mijn eigen verhaal.
Niet omdat ik bang ben om het adoptieverhaal te vertellen. Ik heb het al zo vaak verteld.
Waarschijnlijk had ik het jou ook verteld. Het verhaal van adoptie zoals het voor veel mensen is:
Een hulpeloos kind wordt gered uit een benarde situatie. Het kind krijgt in Nederland weer een toekomst.
Dankzij liefdevolle adoptiefouders krijgt het een rijk leven waar anderen alleen maar over kunnen dromen!

Het verhaal van Michael:
Ik was een ontzettend schattige baby die alleen maar vrolijk lachte. Ik hield zo van het leven, dat naar bed gaan het enige was wat ik moeilijk vond.
Zodra ik in mijn bedje lag, en het licht ging uit, begon ik keihard te schreeuwen tot ik te moe was om door te gaan.
Iedereen was jaloers op mijn ouders. Zij hadden immers een mooi kindje, met een ongelooflijk bijzonder verhaal waar iedereen aandacht voor had.
Ik werd als baby in de supermarkt geregeld uit de kinderwagen gehaald door een onbekende vrouw als mijn moeder even wegkeek.
Dan stond die vrouw met mij te knuffelen. Ik was het paradepaardje van mijn ouders, mijn broer en zus, van mijn gezin, maar ook van de rest van de familie.
Ik was het onverwachtte adoptiefnakomertje.
Het Braziliaanse zonnetje.

Naarmate ik ouder werd, bleek ik minder volmaakt te zijn dan men hoopte.
Op de kleuterschool werd ontdekt dat ik gehoorproblemen had en dat ik mijn concentratie  minder goed kon vasthouden dan andere kinderen.
Ik was een rustig kind met temperament. Mijn temperament werd gezien als uitermate storend, namelijk als overdreven druk wanneer ik enthousiast was of driftig wanneer ik me onrechtvaardig behandeld voelde.
Dit leidde tot veel ergernis bij mijn omgeving. Wat is er toch met dat kind?
Ik werd onderzocht op van alles en nogwat.
Mijn concentratieproblemen werden vooral gezien als dromerigheid en typisch Braziliaans.
Ik bleek slechthorend, maar ook heel intelligent te zijn. 
Dat laatste konden mijn leraren beamen, vooral als ik me op een interessant onderwerp stortte, wist ik er alles van en kon ik er geweldig mooi over schrijven en vertellen.
Ik was heel bijzonder.
Zo bijzonder, dat ik niet teveel moest stralen, of alles hoefde te vertellen.
Ook toen diezelfde leraren mij onzedelijk betastten.
Andere mensen zouden het niet begrijpen, maar zij wel.
Ze wisten dat mijn moeder mij vaak veel te laat kwam ophalen van school.
Meestal ging ze in de grote steden uit winkelen en vergat ze de tijd.
Driftig zijn lukte mij niet meer, het zonnestraaltje was bijna gedoofd.
Ik was aan het overleven.

Mijn thuissituatie was heel dubbelzinnig.
Ik had in materiële zin alles wat ik maar wilde.
Al het speelgoed. Alle ruimte in een groot huis en een grote tuin.
De liefde miste ik echter heel erg.
Mijn vader was bang voor mijn wispelturige moeder die geregeld begon te gillen, stampen en met deuren te slaan.
Uit woede ging zij vaak aggressief tekeer. Ze hield meer van spullen dan van mensen.
Dit werd heel erg duidelijk toen ik eens onbedoeld een kras met een pen  maakte op de tafel in de woonkamer.
Moeder heeft mij toen 2 dagen genegeerd. Toen ik haar vroeg wat er aan de hand was vertelde ze me dat ze meer van spullen hield dan van mensen.
Dat moest ik maar begrijpen.
Vaak verslonsde ze het huishouden, maar dit werd gelukkig opgevangen door een schoonmaakster.
Als mijn vader op zakenreis was, de helft van de tijd, dan kon mijn moeder zo boos en neerslachtig zijn dat ze niet meer voor de kinderen kookte.
Ze was naar eigen zeggen te misselijk om te koken.
Het kwam er dan op neer dat we na lang aandringen en ruzie pas veel te laat, zo rond een uur of 9 te eten kregen.
Of dat we moesten gaan snoepen. Als we gesnapt werden kregen we er nog straf voor ook.
Om deze reden heb ik er vandaag de dag nog moeite mee goed voor mezelf te zorgen.
Ik huilde veel als ik helemaal alleen was.
Ik was bijzonder in anders zijn. Zo erg, dat het een probleem begon te worden.
Ik ging naar de middelbare school waar ik buiten de boot viel.
Mijn slechthorendheid en concentratieproblemen bleken een ernstiger probleem te zijn in de grote, volle klaslokalen.
Ik kon gesprekken in groepen niet volgen.

De schattige baby ging qua uiterlijk steeds meer lijken op wat men als een allochtoon, buitenlander of zelfs crimineel zag.
Ik was samen met een handvol kinderen op een school van 1500 kinderen de enige met een donkerder kleurtje.
Ik hield niet van teamsport, maar wel van dansen.
Mijn beste vrienden van de lagere school gingen niet meer met me om.
Ik hoorde alleen bij het groepje buitenbeentjes, maar zelfs door de buitenbeentjes werd ik nog geregeld uitgelachen.
Mijn docenten vertelden mijn ouders dat ik lui was.
Mijn ouders konden dit beamen, ik was immers een Braziliaan.
Brazilië was ook niet voor niets een derdewereldland!
Ik kon me echter herinneren dat ik vaak moe was.
Ik was in gedachten weggezonken en ik kon er niet uitkomen.
Alsof ik een hele donkere zonnebril op had. Ik was depressief, dit wist ik alleen nog niet.
Ik had geleerd schone schijn te spelen, zoals ook mijn familie dat altijd deed.
Ik huilde zelfs niet meer als ik alleen was.

Dat ik was geadopteerd, is mij al heel jong verteld.
Het verhaal is steeds weer opnieuw verteld, naarmate ik ouder werd.
Zo kon ik steeds meer te horen krijgen.
Het begon ermee dat ik een vader en moeder in Brazilië had.
Het eindigde ermee dat ik als adoptiekind toch heel anders ben dan de rest en daardoor toch meer mijn best moest doen.
Daarmee werd vooral gewezen op het feit dat ik gehoorzaam moest zijn en me zou gedragen naar de wensen van  anderen.
Ik moest vooral niet ondankbaar zijn door te ontsporen zoals veel andere adoptiekinderen  doen.
Dat zou een schande zijn.
Een belediging naar de opvoeding van mijn adoptiefmoeder.

Mijn ouders vertelden mij dat de enige manier waarop ik het kon maken in deze wereld was door driedubbel zoveel mijn best te doen.
Ze beseften niet dat ik dat al deed.
Door mijn slechthorendheid, concentratieproblemen en eenzaamheid lukte het me niet om te presteren.
In mijn omgeving werd prestatie als het enige gezien wat telde. Het enige wat een mens een goed mens maakte.
Ik werd steeds neerslachtiger, want presteren lukte me niet.
Met hakken over de sloot had ik de middelbare school afgemaakt.
Ik wilde echter op een hoger niveau en met een ander vakkenpakket verder.
Hiervoor ben ik een jaar naar een privéschool gegaan.

Dit jaar was een verademing. Ik kreeg de aandacht die ik nodig had, ik had de vakken die bij mij pasten.
En voor ik het wist was dit schooljaar voorbij en lachte de wereld me weer toe.
Voor eventjes.
Ik ging naar de universiteit in een andere stad. Ik koos een talenstudie.
Mijn familie en vrienden keken hier nogal op neer.
Ik kwam in contact met mensen uit andere landen met andere culturen en talen.
Ik zag mensen die op mij leken. Ik kwam in contact met Brazilianen.
Ik zag dat ze niet waren zoals mij altijd verteld was.
Dat ik zelf misschien ook veel beter was dan ik dacht.
Ik raakte in de war.

Nu ben ik al zeven jaar bezig om mijn studie te halen.
Ik ben depressief geweest, ik heb operaties gehad voor klachten die later psychosomatisch bleken te zijn.
Ondertussen verhuisden mijn ouders naar het buitenland. Ook al zagen ze dat het niet goed ging.
Ze vonden dat ik oud genoeg was om voor mezelf verantwoordelijk te zijn.
Ik bleef door deze problemen financieel afhankelijk van hen.
Ze namen mijn problemen niet serieus en mij werd verteld dat ik domweg lui was.
Dat al mijn problemen excuses waren om niet te gaan werken.
Ik heb in deze tijd anderhalf jaar lang werk en studie gecombineerd.

Dit bleek echter zo zwaar voor me te zijn dat ik volledig instortte.
Ik ging mijn problemen bagataliseren.
Ik liet ze niet zien aan mijn adoptiefouders. Ze wilden toch niet luisteren.
Bij alles wat er fout ging op persoonlijk vlak, wezen mijn ouders weer naar de studie.
“Zorg maar eerst dat je je studie af hebt. Dan praten we verder.”
Ze gingen mijn financiële stabiliteit onzeker stellen.
Ik kreeg veel extra spanningen.
Ik krijg geen complimenten van mijn ouders.

Ze hebben me eerlijk verteld dat ze geen positieve eigenschappen van mij kunnen noemen.
Ze vertellen mij dat ik een veel fijner en gelukkiger kind zou zijn geweest als ik hun biologische kind was.
Ook verwachten ze dat ik dit alles gewoon accepteer.
Ze vinden zichzelf als adoptiefouders de slachtoffers.
Zij hebben immers nooit kinderen kunnen krijgen zoals iedereen ze krijgt.
Zij hebben kinderen die ze niet kunnen en willen begrijpen doordat ze niet hun genen hebben.
Als ik mijn ouders erop wijs dat deze dingen mij erg kwetsen wordt er gewezen naar hoe ondankbaar ik ben.
Ik had ook in de favela in Brazilië kunnen wegkwijnen.

Sinds kort weet ik dat mijn concentratieproblemen naast een psychologische ook een neurologische oorzaak hebben.
Ik probeer mijn leven op orde te krijgen met therapie en door meer op mijn eigen benen te gaan staan.
Sinds kort heb ik het vertrouwen om zelf met mijn zoektocht te beginnen.
Ik heb met de hulp van vrijwilligersorganisaties al heel wat uitgevonden.
Ik ben recentelijk in shock geraakt doordat ik erachter kwam dat mijn adoptie niet legaal is verlopen.
Dat er heel wat dingen mis zijn gegaan.
Mijn adoptiefouders blijken ook veel geld voor mijn adoptie te hebben neergelegd.
Dit vertelden ze mij vaak als ze boos op me waren, maar tot dan toe geloofde ik het niet.
Ik heb me veel eenzaam gevoeld. Ik ben altijd een onbeschreven blad geweest dat mensen zelf hebben ingevuld voor mij.
Het is voor een adoptiekind moeilijk om een eigen identiteit op te bouwen.
Niet alleen doordat een adoptiekind zijn verleden niet kent.
Ook doordat adoptiekinderen meestal terecht komen in een wereld die ze niet begrijpt, niet wil begrijpen en ook geen tijd wil nemen ze te leren kennen.
Daarnaast wordt onze identiteit snel voor ons ingevuld.
We zijn lui. We zijn passief. We zijn druk. We zijn ondankbaar.
Gelukkig weet ik nu dat ik mijn eigen identiteit mag invullen.
Ik ben passievol, dynamisch en vrolijk.
Elke dag een beetje meer. Elke dag een nieuwe zonnestraal in de rondte totdat de cirkel, het zonnetje, weer compleet is.
Desondanks vind ik het nog steeds heel moeilijk om als ik 's avonds laat alleen in bed lig, mijn ogen te sluiten.
Ik ben vooral dankbaar.

Ga naar boven